Voorwoord: Stel je voor, je leest de tekst van Jezus; “tevergeefs eren ze Mij”, het slaat misschien wel in als een bom, je bent in je beleving serieus bezig met het geloof, en je vraagt je af, tegen wie heeft Jezus het, wanneer hij deze woorden uitspreekt?

 

Willen we begrijpen wat Jezus hier zegt, én wie er worden aangesproken, is het nodig om eerst de context te lezen. Het wordt ons dan al snel duidelijk dat het de geestelijke leiders van het volk zijn, die hier worden aangesproken. De aanleiding voor Zijn antwoord is hun vraag aan Jezus; we lezen het in Mattheüs 15: 2 Waarom overtreden Uw discipelen de inzetting der ouden? Want zij wassen hun handen niet wanneer zij brood zullen eten.

 

Jezus antwoordt hen met een wedervraag: zie vers 3) Maar Hij antwoordende zeide tot hen: Waarom overtreedt ook gij het gebod Gods door uw inzetting? Want God heeft u geboden, zeggende: Eer uw vader en moeder; en: Wie vader of moeder vloekt, die zal den dood sterven. Mattheüs 15: 5 Maar gij zegt: Zo wie tot vader of moeder zal zeggen: Het is een gave, zowat u van mij zou kunnen ten nutte komen; en zijn vader of zijn moeder geenszins zal eren, die voldoet. 6 En gij hebt alzo Gods gebod krachteloos gemaakt door uw inzetting.

 

Het antwoord van Jezus wordt dus veroorzaakt door het negeren van Gods gebod, waardoor Hij hen in Zijn antwoord, buiten het Koninkrijk van God stelt. Zie vers 7: Gij geveinsden, wel heeft Jesaja van u geprofeteerd, zeggende: 8 Dit volk genaakt Mij met hun mond en eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij; 9) Doch tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen die geboden van mensen zijn.

 

Even een zijspoor, er zijn gelovigen die beweren dat zij zich niet meer aan de wet behoeven ten houden, omdat Jezus de wet heeft volbracht, dat blijkt dus niet uit Mattheüs 5:18 waar Jezus het volgende meedeelt: Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota noch één tittel van de Wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied”. Dat wil zeggen; tot aan het einde van het duizendjarig vrederijk. Jezus geeft hier dus aan dat, alleen door God, en de naaste oprecht lief te hebben, dat is te; leven naar Zijn eeuwig geldende geboden en inzettingen, er behoud is.

 

De vraag dringt zich op; waarom heeft de “mens” niet genoeg aan de geboden en inzettingen van zijn Schepper, Hij heeft het ons toch wel heel eenvoudig gemaakt; zie het antwoord van Jezus op de vraag; wat is het grote gebod in de wet? Mattheüs 22: 37 En Jezus zeide tot hem: Gij zult liefhebben den Heere uw God met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. 38 Dit is het eerste en het grote gebod. 39 En het tweede, aan dit gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven. 40 Aan deze twee geboden hangt de ganse Wet en de Profeten. Nee, daar niets aan toe doen, of afhalen maar in dankbaarheid leven tot Zijn eer, wat een rust geeft dat.

 

Helaas hebben ook de geestelijke leiders, van toen én nu, aan Gods geboden en inzettingen, een eigen invulling gegeven, we zie het ondermeer in de uitwerking van het concilie van Nicea. Het is dan ook belangrijk te beseffen dat wanneer men de inzettingen van mensen volgt, in plaats die van hun Schepper, ook voor hen de woorden gelden: Tevergeefs eren ze Mij”.