We  willen ons door Zijn onderricht over het gebed, richten op de Heiligheid van onze Schepper, immers gaat het in de eerste vier regels van het gebed over; "Uw naam worde geheiligd, Uw koninkrijk kome, en Uw wil geschiede, zowel in de hemel, als ook op aarde", het raakt dan ook ons hele persoonlijke leven, zie Mattheus 6.

 

Jezus geeft hiermee onomwonden aan dat de kern van ons leven, wordt gevormd door het heiligen van de naam van Zijn Vader, zowel in het gebed, als in ons dagelijks leven! De vraag is; hoe geven we daar inhoud aan?

 

Laten we beginnen met wat hierover in de Thora geschreven staat:

Deuteronomium 11: 1 DAAROM zult gij den Heere uw God liefhebben, en gij zult te alle dage onderhouden; Zijn bevel en Zijn inzettingen en Zijn rechten en Zijn geboden.

 

De context van de tekst gaat over het volk Israel, dat door God is bevrijd uit de slavernij van Egypte! U zegt misschien; "maar we zijn niet bevrijd uit Egypte"".

 

Mijn vraag is dan toch: Heeft Jezus, door Zijn overwinning op satan, ons niet bevrijd uit het slavenhuis van de zonde? Het is de belofte aan Adam en Eva, door de Vader gegeven, dat de kop van de slang zou worden vermorzeld, waardoor een ieder die Jezus aanneemt als zijn/haar Verlosser, en in de wegen van onze hemelse Vader wandelt, is bevrijd van het slavenhuis van de zonde, en heeft dat niet alles te maken met de toegang tot Gods koninkrijk? Lees maar welke voorwaarden Jezus verbind, aan het ingaan in Zijn koninkrijk.

 

In Mattheus 7: 21 zegt Jezus: Niet een iegelijk die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil Mijns Vaders, Die in de hemelen is.

 

U zegt er naar te streven "den wil Mijns Vaders" te willen doen. Dan toch de vraag: Leeft u vanuit een oprecht geloof, volgens Zijn geboden en inzettingen, en viert u Zijn sabatten en feesten, op Zijn gezette tijden?, want dát is wat we net hebben gelezen.

 

Ook de profeet Jezaja moest van de Heere profeteren over Zijn Koninkrijk, zie hoofdstuk 56: 1) Alzo zegt de Heere: bewaart het recht en doet gerechtigheid, want Mijn heil is nabij om te komen en Mijn gerechtigheid om geopenbaard te worden. 2) Welgelukzalig is de mens die zulks doet, en des mensenkind dat daaraan vasthoudt; die den sabbat houdt, zodat hij dien niet ontheiligt, en die zijn hand bewaard van enig kwaad te doen. 3) En de vreemde die zich tot de Heere gevoegd heeft, spreke niet, zeggende: De Heere heeft mij gans en al van Zijn volk gescheiden; en de gesnedenen zegge niet: Zie, ik ben een dorre boom. 4) Want alzo zegt de Heere van de gesnedenen die Mijn sabbatten houden, en verkiezen waartoe Ik lust heb, en vasthouden aan Mijn verbond: Ik zal hen ook in Mijn huis en binnen Mijn muren een plaats geven, beter dan der zonen en de dochteren; om Hem tot knechten te zijn: Al wie den sabbat houdt, dat hij dien niet ontheiligd, en die aan Mijn verbond vasthouden. 7) Die zal Ik ook brengen tot Mijn heiligen berg, en Ik zal hen verheugen in Mijn bedehuis; hun brandoffers en hun slachtoffers zullen aangenaam wezen op Mijn altaar; want Mijn huis zal een bedehuis genoemd worden voor alle volken. 8) De Heere Heere, Die de verdrevenen Israels vergadert, spreekt: Ik zal tot Hem nog meer vergaderen nevens hen die tot Hem vergaderd zijn.

 

Inderdaad, wat een belofte voor de toekomst, voor hen die "doen de wil van de Vader", we zien uit naar dát Koninkrijk, te mogen "wonen in Zijn huis, en binnen Zijn muren"!