Helaas zijn veel gelovigen ervan overtuigd dat ze nú al leven onder het Nieuwe Verbond. Er wordt door hen gezegd: Jezus heeft de Wet vervuld, en wanneer je in Zijn naam bent gedoopt, woont de Heilige Geest in je, en ben je vrij van zonden. Helaas onderzoekt men niet of datgene wat hen wordt verkondigd, én geloven, ook overeenkomt met Zijn Woord!
Onze Hemelse Vader spreekt op verschillende momenten over het sluiten van een verbond, zie de afspraken met; Adam, Noach, Abraham, Izak en Jakob. Ten slotte heeft God aan Israël gedacht, en op de berg Horeb met hen een verbond gesloten, (Deuteronomium 29: 1) Daar is het Verbond voor eeuwig vastgelegd op twee stenen platen, en wacht op de vernieuwing zoals geprofeteerd.
Over het moment en het doel van dit Nieuwe Verbond is door Jeremia en Ezechiël geprofeteerd. Jeremia zegt in hoofdstuk 31: 31- 34; Zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik met het huis van Israël, en met het huis van Juda en Nieuw Verbond zal maken; 32) niet naar het Verbond dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep om hen uit Egypteland uit te voeren; welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de Heere. 33) Maar dit is het Verbond dat Ik na die dagen met het huis Israëls maken zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn Wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; En Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. 34) En zij zullen niet meer een iegelijk zijn naaste, en een iegelijk zijn broeder leren, zeggende: Kent den Heere; want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de HEERE; Want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hunner zonde niet meer gedenken.
En zoals gezegd, ook Ezechiël heeft geprofeteerd over het Nieuwe Verbond, zie Ezechiël 37: 26 En Ik zal een verbond des vredes met hen maken; het zal een eeuwig verbond met hen zijn, en Ik zal hen inzetten en zal hen vermenigvuldigen, en Ik zal Mijn Heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid.
Uiteindelijk gaat het dus om het Koningschap van Jezus en het moment dat God zelf weer bij hen woont. Tijdens Zijn laatste maaltijd met de discipelen zien we hoe Jezus verlangt naar het moment, verenigd te zijn met Zijn gemeente, zie Mattheüs 26: 28 Want dit is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden. 29) En Ik zeg u, dat Ik van nu aan niet zal drinken van deze vrucht des wijnstok, tot op dien dag wanneer Ik met u dezelve nieuw zal drinken in het Koninkrijk Mijns Vaders.
Dat Zijn Koninkrijk, waarin het Nieuwe Verbond zijn volle gestalte krijgt, nog niet is gekomen, kunnen we eenvoudig waarnemen door om ons heen te kijken en te zien of we de volgende vragen met ja kunnen beantwoorden:
- Wordt Jeruzalem al als een dorp bewoond, en is de Heere, haar een vuur rondom? (Zacharia 2)
- Verkeert de wolf al bij het lam samen? (Jesaja 11)
- Zijn de gelovigen al opgestaan? (Openbaring 20)
- Is het Nieuwe Jeruzalem als gekomen? ( Openbaring 21)
Is er dan niets verandert met de eerste komst van Jezus? Jazeker wel: Jezus is de route náár dat Nieuwe Verbond, zie Johannes14: 6 Jezus zeide tot hem: Ik ben de weg , de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot den Vader dan door Mij. Jezus is nu onze Hogepriester en zegt in Mattheüs 7: 21 Niet een iegelijk die tot Mij zegt Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der Hemelen, maar die daar doet den wil Mijns Vaders, Die in de hemelen is, dezelve is Mijn broeder en zuster en moeder. Er is dus nog een weg te gaan!
Beste mensen, het geloof in onze Schepper en Zijn Zoon, vraagt van ons een liefdevolle gehoorzaamheid, in het naleven van Zijn geboden en inzettingen. Daar zijn we, met het doel van het Nieuwe Verbond voor ogen, ons hele leven mee bezig. Het is zoals Paulus het verwoord in Filippenzen 3: 14 Maar één ding doe ik, vergetende hetgeen dat achter is, en strekkende mij tot hetgeen dat voor is, jaag ik naar het wit tot den prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus. 1 Korinthe 13: 12 Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien van aangezicht tot aangezicht; nu ken ik nog ten dele, maar alsdan zal ik kennen gelijk ook ik gekend ben.
