Je vindt het een vreemde vraag, "weet je wie jou Schepper is"? Misschien is je antwoord; nooit over nagedacht, of, ik denk wel dat God bestaat, maar kennen, nee!

 

Wordt het dan niet de hoogste tijd, je te verdiepen in de woorden die Hij ons heeft gegeven, om zo zicht te krijgen op het doel van je leven? Besef wel, na het einde van ieders leven, komt de vraag: Wat heb je met de tijd gedaan die Ik je heb gegeven, en wat is dan je antwoord?

 

Laten we bij het begin beginnen, en kijken naar onze oorsprong, en doel van ons leven; we lezen Genesis 1: 26 en God zeide: Laat ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt.

 

Ook heeft God ons de daarbij benodigde leefregels gegeven, zoals opgetekend in de Torah, welke Jezus op de vraag van een farizeeër, als volgt heeft samengevat: Mattheüs 22: 37 En Jezus zeide tot hem: Gij zult liefhebben  den Heere uw God met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. 38) Dit is het eerste en het grote gebod. 39) En het tweede aan dit gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven. 40) Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten.

 

Wanneer je deze woorden nog niet zoveel zeggen, lees dan de volgende woorde van Jezus: Mattheüs 25: 31 En wanneer de zoon des mensen komen zal in al Zijn heerlijkheid,  en alle heilige engelen met Hem, dan zit Hij op de troon Zijner heerlijkheid. 32) En vóór Hem zullen alle volken vergaderd worden, en Hij zal hen van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt. 33) en Hij zal de schapen tot Zijn rechterhand zetten , maar de bokken tot Zijn linkerhand. 34) alsdan zal de de Koning zeggen tot degenen die tot Zijn rechterhand zijn: Komt, gij gezegenden Mijns Vaders, beërft dat Koninkrijk het welk u bereid is van de grondlegging der wereld. 35) Want Ik ben hongerig geweest en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest en gij hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling en gij hebt Mij geherbergd. 36) Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed; Ik ben krank geweest en gij hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis en gij zijt tot Mij gekomen.

 

37) Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden zeggende: Heere, wanneer hebben wij u hongerig gezien en gespijzigd, of dorstig en te drinken gegeven? 38) En wanneer hebben wij U een vreemdeling gezien en geherbergd, of naakt en gekleed? 39) en wanneer hebben wij U krank gezien of in de gevangenis en zijt tot U gekomen?

 

40) En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar zeg Ik u, voor zoveel gij dit één deze Mijn minste broeders gedaan hebt, zo heb gij dat Mij gedaan.

 

41) Dan zal Hij zeggen tot degenen die ter linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijn engelen bereid is. 42) Want Ik ben hongerig geweest en gij hebt Mij niet te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest en gij hebt Mij niet te drinken gegeven; 43) Ik was een vreemdeling en gij hebt Mij niet geherbergd; naakt en gij hebt Mij niet gekleed; krank en in de gevangenis, en hebben U niet gediend?

 

45) Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar zeg Ik u, voor zoveel gij dit één van Mijn minsten niet gedaan hebt, zo hebt gij het Mij ook niet gedaan. 46) En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.

 

Inderdaad, we zijn hier om te leven overeenkomstig Zijn wil; God liefhebben boven al, en je naaste als jezelf.